Dag van de Milieufilosofie 2014

Leven en laten leven in het Antropoceen

Op 22 april 2014 was de tweede Dag van de Milieufilosofie. Het thema: ‘Leven en laten leven in het antropoceen’. De Werkgroep Milieu-ethiek van de Nederlandse Onderzoeksschool Wijsbegeerte (OZSW) en de Sectie Ethiek van de Vereniging van Milieuprofessionals (VVM) nodigden u uit om deel te nemen aan dit landelijke symposium voor breed publiek. De gastspreker was de Wageningse bioloog en filosoof Matthijs Schouten.

Het antropoceen is het tijdperk dat volgt op het holoceen. Wij leven aan het begin van het antropoceen, een periode waarin de aarde steeds meer een product wordt van menselijk handelen. De mens heeft nu al een onomkeerbare invloed op klimaat en natuur. Die impact wordt in de toekomst nog veel groter. De term ‘antropoceen’ werd gemunt door de ecoloog Eugene Stoermer en gepopulariseerd door Nobelprijswinnaar Paul Crutzen. Het concept beweegt wetenschappers en kunstenaars tot een kritische heroverweging van de relatie mens-natuur. Belanden we met biodiversiteitsverlies, ontbossing en verwoestijning niet in een ecologische hel? Hoe moeten wij op deze dreiging reageren?

Concrete uitdagingen

U kunt kiezen uit 4 workshops, waarin Nederlandse filosofen deze indringende uitdagingen aan de hand van een aantal concrete casus bespreken, te weten levenskunst, beelden, dieren en natuur.

Programma

9.30- 10.00 Inloop met koffie en thee
10.00-10.05 Welkomstwoord
10.05-11.15 Lezing door Matthijs Schouten
11.15-11.30 Koffiepauze
11.30-13.00 Eerste ronde parallelle workshops (Beelden en Dieren)
13.00-14.00 Lunch
14.00-15.30 Tweede ronde parallelle workshops (Natuur en Levenskunst)
15.30-16.00 Koffiepauze
16.00-17.00 Column door Thomas van Slobbe & Vera Dalm, gevolgd door plenaire discussie
17.00-18.00 Afsluitend drankje

Parallelle workshops

Ochtendsessies (11.30u – 13.00u)

Beelden (Berna van Vilsteren en Petran Kockelkoren)
Wat betekent het antropogene karakter van de wereld voor onze ervaring van onze omgeving? Welke beelden passen daarbij?

De Nederlandse kunstenaars uit de Gouden Eeuw werden wereldberoemd met schilderijen van landschappen waaruit alle sporen van technische ingrepen waren gewist. Dat is opmerkelijk want de grote inpolderingen waren in volle gang, er werd een gigantisch netwerk van trekvaarten aangelegd, de turf werd afgegraven en de bevolking groeide als kool. Toch werd toen de mythe van het Arcadische landschap in het leven geroepen, voornamelijk terwille van een nostalgische stedelijke bevolking. Staan we er nu weer zo voor?

We gaan op zoek naar de relatie tussen natuurbeleving en techniek, zowel in de geschiedenis als ook en vooral nu. Er is een nieuwe generatie mediakunstenaars opgestaan die de weg wijzen naar technische vormen van natuurbeleving, door filmdocu’s als ‘De Nieuwe Wildernis’, GPS trektochten, autosafaris, enzovoorts. Natuurbeleving krijgt een nieuwe, door techniek en kunst bemiddelde, betekenis. Moeten we in dat licht gezien nog steeds het verlies aan onbezoedelde zuivere natuur betreuren?

In de workshop ‘beelden’ worden twee posities tegenover elkaar in beeld gebracht. Milieufilosofe en documentaire-maakster Berna van Vilsteren zal de schilderkunst van Theo Jordans verdedigen. deze kunstenaar vindt steeds minder landschappen met een zuivere identiteit om te schilderen. Daartegenover zal Petran Kockelkoren een pleidooi voeren voor de landschapskunst van Jeroen van Westen, die ook zelf zijn artistieke ingrepen zal presenteren als vormen van ‘bemiddelde’ toegang tot de omgeving, die het landschap door de media heen tot spreken noden. Daarna zal de strijd om het landschap in discussie met de deelnemers worden gevoerd.

Dieren in het antropoceen – van wilde wolf tot schoothondje (Bernice Bovenkerk en Jozef Keulartz)
Hoe beïnvloedt het antropoceen onze omgang met wilde en gedomesticeerde dieren? En wat betekent dat voor de dier-ethiek en haar verhouding tot de milieu-ethiek?

De dierentuin in het antropoceen – Jozef Keulartz
In het antropoceen is er wereldwijd sprake van een steeds verder voortschrijdende verkleining en versnippering van de leefgebieden van wilde dieren. Hierdoor ontstaan zogenaamde ‘metapopulaties’, d.w.z. verzamelingen van deelpopulaties die over resten habitat verspreid zijn. Omdat deze brokstukken natuur doorgaans vrij klein zijn en omdat hiertussen nauwelijks verbindingen bestaan, worden lokale deelpopulaties voortdurend met uitsterven bedreigd. Om aan deze bedreiging het hoofd te bieden, zal men steeds vaker een beroep moeten doen op de expertise die dierentuinen hebben ontwikkeld met het genetisch en demografisch verantwoord beheer van kleine populaties. Ook uitwisseling tussen dieren uit de dierentuin en dieren uit reservaten en wildparken is steeds meer aan de orde – aan de ene kant worden dieren uit de dierentuin gebruikt ter aanvulling van bedreigde populaties en ter herintroductie van lokaal uitgestorven populaties, aan de andere kant kan de genetische en demografische levensvatbaarheid van dierentuinpopulaties op peil gehouden worden door uitbreiding met dieren uit het wild. Gevolg is dat het traditionele onderscheid tussen het beheer van in-situ populaties (in het wild) en van ex-situ populaties (in gevangenschap) geleidelijk vervaagt: dierentuinen gaan steeds meer lijken op wildparken en reservaten, terwijl die op hun beurt de vorm van dierentuinen aannemen. Deze vervaging van de grens tussen in-situ en ex-situ beheer zal ongetwijfeld repercussies hebben voor de dierethiek en haar verhouding tot de milieuethiek.

De positie van dieren in het antropoceen – Bernice Bovenkerk
In het antropoceen bepalen mensen tot op grote hoogte de situatie waarin dieren zich bevinden. Niet alleen tasten mensen de leefgebieden van wilde dieren aan, maar zij houden dieren ook in gevangenschap voor verscheidene doeleinden: voor hun producten, voor recreatie en entertainment, voor hun arbeidkracht, voor medisch en wetenschappelijk onderzoek, voor hun gezelschap, en natuurlijk voor hun eigen belang in het geval zij in het wild niet kunnen overleven. Vanuit de dierethiek kan de vraag gesteld worden of het houden van dieren in gevangenschap moreel te rechtvaardigen is. Ofwel de dieren in kwestie hebben een zo klein adaptief vermogen dat ze zich moeilijk kunnen aanpassen aan de menselijke omgeving en dan ontstaat een welzijnsprobleem, ofwel ze kunnen zich juist wel aanpassen en dan leidt dit uiteindelijk vaak tot domesticatie en de daarmee gepaard gaande veranderingen in het gedrag en de verschijningsvorm van de dieren. Gedomesticeerde dieren zijn bijvoorbeeld over het algemeen minder agressief, en meer speels, hebben een kleinere hersenomvang en kleinere tanden. Volwassen dieren vertonen vaak de eigenschappen van de jonge dieren van hun oorspronkelijke soort. De domesticatie van dieren roept morele vragen op die lastig te beantwoorden zijn binnen de traditionele dier-ethiek, die in de eerste plaats op individuele dieren gericht is. Bijvoorbeeld, mogen wij de genetische samenstelling van dieren bewust veranderen? Zouden we kunnen betogen dat dieren stilzwijgend akkoord zijn gegaan met een zogenaamd ‘domesticatie contract’? Deze vragen spelen veeleer op het niveau van de soort; ook dit zal  repercussies hebben voor de dierethiek en haar verhouding tot de milieuethiek.

Middagsessies (14.00u – 15.30u)

Levenskunst (Louke van Wensveen, Richard Zwiers en Onno van Sandick)
Welke levenshouding en deugden faciliteren een duurzame bloei van levende systemen, inclusief persoonlijke bloei, in een antropogene wereld? Wat ondersteunt de beoefening van die levenskunst?

Natuur (Martin DrenthenGlen DeliègeBram van de Klundert en Clemens Driessen)
Wat betekent het antropoceen voor natuur en landschap? Bestaat er nog zoiets als ‘wildheid’ in ons land? Wat bedoelen we eigenlijk met ‘nieuwe wildernis’ en waarom willen we die zo graag? En hoe zit het met de ‘oude’ natuur? Is de kloof tussen oude en nieuwe natuur echt zo groot als die lijkt?

14.00-14.05 Introductie

14.05-14.25 Martin Drenthen: Oude natuur en nieuwe wildernis

Waarom roepen discussies over wildernis in Nederland zulke heftige emoties op? Als wildernis natuur is die nog nooit door mensen is aangeraakt, dan bestaat wildernis niet in Nederland. Maar de term wordt ook nu nog gebruikt om zowel oude als nieuwe natuur aan te duiden: de populairste natuurfilm aller tijden gaat over de ‘nieuwe wildernis’ van de Oostvaardersplassen, terwijl Natuurmonumenten onlangs Planken Wambuis, een oude landbouwenclave in de Veluwe, in ene boek aanduidt als de ‘oudste wildernis van Nederland’? Wat betekent ‘wildheid’ dan eigenlijk, en waarom is dat begrip voor ons ook moreel zo van belang?

14.25-14.45 Glenn Deliège:  Contact! Contact!

Voorstanders van het aanleggen van nieuwe wildernissen staan wel eens oog in oog met de pleitbezorgers van het behoud van traditionele cultuurlandschappen. Maar is de kloof tussen beiden echt zo diep? Aan de basis van beide posities lijkt immers eenzelfde verlangen te liggen: het verlangen contact te maken met datgene wat ons overstijgt, wat niet ‘van onze makelij’ is. Beide kampen miskennen echter dat ze deze diepe drijfveer delen. Biedt een blik op het gedeelde verlangen misschien een nieuw kader dat een ander gesprek tussen beide posities mogelijk maakt?

14.45-15.05 Bram van de Klundert: titel nog onbekend

15.05-15.30 Discussie

 

Biografieën panelleden

Panelleden

Bernice Bovenkerk (Dieren) is universitair docent bij de Philosophy Group van Wageningen Universiteit. Hier doet zij onderzoek naar de ethiek van domesticatie van dieren. Voorheen was zij als post-doc werkzaam aan het Ethiek Instituut van Universiteit Utrecht, waar zij onderzoek deed naar de morele status en het welzijn van vissen in de aquacultuur. Zij promoveerde in 2010 aan Melbourne University in de politieke filosofie op een proefschrift over deliberatieve demoractie toegepast op de discussie over dierlijke en planten-biotechnologie. Zij studeerde milieufilosofie aan de Universiteit Amsterdam en Melbourne University.

PhotoBernice

Glenn Deliège (Natuur) is als postdoctoraal onderzoeker in de milieufilosofie verbonden aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij promoveerde in 2013 aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, KU Leuven op een proefschrift getiteld Wat natuur nog kan betekenen. Essay over de toekomst van het landschap. Goed natuurbehoud moet volgens hem steeds vertrekken vanuit een gevoeligheid voor het betekeniskader die de landschappelijke geschiedenis van een bepaalde plek schept.

SAMSUNG

Martin Drenthen (Natuur) is universitair hoofddocent filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij promoveerde in 2003 op zijn proefschrift Grenzen aan wildheid over de betekenis van Nietzsche’s moraalkritiek voor ethische debatten over natuurontwikkeling. Sinds begin 2013 is hij projectleider van een VIDI onderzoeksproject waarin hij een hermeneutische landschapsethiek ontwikkelt die conflicten rond nieuwe natuur begrijpt analyseert vanuit de relatie tussen het leesbare landschap en onze morele identiteit.

foto-martin-gr2

Jozef Keulartz (Dieren) (1947) studeerde wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1992 promoveerde op een proefschrift over het werk van de Duitse filosoof Jürgen Habermas. Hij was universitair hoofddocent bij de leerstoelgroep Toegepaste Filosofie van Wageningen Universiteit & Research Centrum (WUR). Momenteel is hij als emeritus bijzonder hoogleraar Duurzaamheid en Levensbeschouwing verbonden aan de Radboud Universiteit. Keulartz publiceerde op de terreinen van Science & Technology Studies, sociale en politieke filosofie, dierethiek, milieufilosofie en (nationaal en internationaal) natuurbeleid. Hij is voorzitter van de stichting Natuurlijke Processen.

Jozef

Bram van de Klundert (Natuur) is thans directeur van het Waddenfonds. Voorheen werkte hij o.a. als programmamanager bij het Wereldnatuurfonds. In 2012 schreef hij het boek Expeditie Wildernis, ervaringen met het sublieme in de Nederlandse natuur, waarin hij op verslag doet van zijn verblijf in de twaalf ‘wildste’ natuurgebieden van Nederland. In 2013 verscheen zijn nieuwe boekOp zoek naar onze natuur. Hierin onderzoekt hij wat onze veranderde verhouding met de natuur en kijk op natuur (urbanisatie, vervreemding) betekenen voor onze verhouding met de natuur.

Bram van de Klundert

Louke van Wensveen (Levenskunst) is een zelfstandig milieu- en bedrijfsethica met vijfentwintig jaar ervaring in de Verenigde Staten. Zij studeerde religiewetenschappen in Leiden en aan Harvard University. In 1987 promoveerde zij aan Princeton Theological Seminary op een proefscrift over het belang van organisatieculturen voor de bedrijfsethiek. Tot 2002 doceerde zij als Associate Professor of Theological Ethics aan Loyola Marymount University in Los Angeles. Sindsdien vervulde zij een maatschappelijke brugfunctie als adviseur voor Nederlandse ontwikkelingsorganisaties en de chemische industrie. Als wethouder voor ruimtelijke ordening in de gemeente Brummen initieerde zij de cultuuromslag die resulteerde in unanieme raadssteun voor een gemeentelijk duurzaamheidsprogramma. Zij is auteur van Dirty Virtues, een studie van de karaktertrekken van duurzaamheidsleiders (Prometheus Books, 2000).

Louke_Zandvoort

Richard Zwiers (Levenskunst) is filosoof en transitiemanager. Tijdens zijn studie milieufilosofie bij Wouter Achterberg, bestudeerde hij de ethiek van duurzame ontwikkeling en duurzame leefstijlen. Daarna werkte hij voor de overheid, onder andere als adviseur bij het regieorgaan Energietransitie. Naast zijn werk voor Duurzaamheid4all is hij mede oprichter van de duurzame energiecoöperatie (i.o) GWL Ecostroom en secretaris van FedEC, de Nederlandse beroepsvereniging voor energieadviseurs. Namens FedEC schrijft hij voor de Energiegids.

pasfoto-verkleind-150-x-187

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s